Home » Analyse, Artikels, Voetbal

“Maar wie zegt dat ik niet zal slagen?”

door SUPPORT op december 1, 2011 – 17:01Geen Reacties

Jeugdtransfers behoren tot de meest schimmige gebieden van de voetballerij. De weinige regels die er zijn, vallen makkelijkte omzeilen en in de categorie van de 12- tot (net geen) 16-jarigen worden dan ook heel wat transfers verricht. Soms omdat ze zich sportief kunnen verbeteren, maar vaak ook omdat tieners worden gelokt met gigantische lonen en ouders worden gepaaid met huizen en jobs.

 

Het verhaal van Lionel Messi is genoegzaam bekend. FC Barcelona geloofde in de kleine dribbelkont en weekte de amper 13-jarige Lionel in 2000 los bij het Argentijnse Newell’s Old Boys. Barça nam met plezier de kosten voor de groeihormoonkuur voor zijn rekening en plukt nu al enkele jaren de vruchtenvan die investering. Zodra de speler in kwestie uitgroeit tot een succesvolle voetballer, stelt geen mens zich nog vragen bij de toch vaak risicovolletransfers van (steeds jongere) wondervoetballertjes. Wat als Messi het niet had gemaakt? Hadden we dan schande gesproken over de handelswijze van Barcelona? De groeihormonen hadden hun uitwerking wel eens kunnen missen, Lio had gekwetst kunnen geraken of misschien was hij wel simpelweg niet zo goed geworden als de scouts dachten dat hij zou worden… In eender welk van die drie gevallen was het ‘weg investering voor Barcelona’ geweest. Maar ook ‘weg droom voor Messi’ en ‘weg miljonairsleventje voor Messi’s ouders’. Dat het Messi anders verging – en dat hij sinds zijn debuut in 2003 bij Barcelona uitgroeide tot de beste voetballer op dit moment – zal elke rechtgeaarde voetballiefhebber tevreden stemmen.

 

Het FIFA-reglement: een rekbaar begrip
Maar het had dus ook anders kunnen lopen. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Erik Lamela, wiens carrière een ander verloop kende dan Barcelona had gewenst. De blaugrana wilden de 12-jarige Lamela – in Argentinië destijds beter bekend als ‘de nieuwe Messi’ – vijf jaar geleden naar Spanje halen en waren bereid daarvoor diep in de geldbeugel te tasten. De ouders van Lamela werden immers verleid met de niet onaardige som van 100.000 euro per maand. Uiteindelijk sprong de transfer alsnog af en is de intussen 19-jarige Lamela bij AS Roma terechtgekomen, maar het voorbeeld zegt wel alles over hoe ver clubs willen gaan om the next big thing binnen te halen.

Erik Lamela - Foto: © Estebanelv

Het FIFA-reglement schrijft voor dat een speler pas op zijn zestiende een contract mag ondertekenen en pas op zijn achttiende naar het buitenland getransfereerd kan worden. Die regel maakt natuurlijk dat het felste getouwtrek plaatsvindt in de strijd rond de gunsten van toptalentjes die nog géén zestien zijn – en dus nog geen contract hebben mogen ondertekenen. Maar het reglement bevat ook tal van achterpoortjes. Zo is een internationale jeugdtransfer toch toegelaten ‘als de ouders om extrasportieve redenen naar dat land verhuizen’. In de praktijk komt dat er dus op neer dat de grote clubs de ouders van zo’n topvoetballertje meteen ook maar een job aanbieden om zo handig gebruik te maken van die lacune in de FIFA-regels. Een jeugdspeler mag ook naar een buitenlandse club ‘als die op minder dan honderd kilometer van zijn woonplaats ligt’. Daar profiteren grensclubs zoals PSV en Rijsel dan weer volop van om Belgische spelers aan te trekken.

 

De FIFA voerde in oktober 2009 wel een beperkende maatregel in die ervoor zou moeten zorgen dat zulke achterpoortjes gesloten blijven. Elke internationale transfer moet sindsdien immers goedgekeurd worden door een commissie van de FIFA, maar of dat er ook echt voor zorgt dat vanaf nu alles volgens de regels gebeurt, is nog maar zeer de vraag. Professor emeritus arbeidsrecht Roger Blanpain ziet het zo: “De FIFA is geen vrije markt, maar een wereldkartel. Als Belgische club kun je alleen maar lid worden van de KBVB en de KBVB is op haar beurt verplicht om lid te worden van de FIFA. Hun reglement rammelt aan alle kanten, maar ze kunnen het zich permitteren.” Europees Parlementslid Ivo Belet acht een goede monitoring van de transfers cruciaal. “De nieuwe procedure van de FIFA kan maar vruchten afwerpen als ze consciëntieus wordt toegepast en er voldoende inzet is om ook de eerste contracten die spelers bij een club uit een andere lidstaat tekenen, aan controle te onderwerpen.”

 

Opleidingsvergoedingen
De grootste onvrede bij de clubs is er over de beperkte vergoeding die ze krijgen voor spelertjes die zij hebben opgeleid tot ze, vlak voor ze (op hun zestiende verjaardag) een contract kunnen ondertekenen, de overstap maken naar een grotere club. Die grotere club moet dan enkel en alleen een opleidingsvergoeding van 5.000 euro per seizoen betalen. Dus zelfs al investeerde een Belgische club acht seizoenen in de opleiding van een van zijn spelers, dan nog krijgt het amper 40.000 euro op het moment dat bijvoorbeeld PSV of Manchester United het talent komt wegkapen. “Dat een club spelers opleidt, is haar taak”, pikt Blanpain in. “Pas op, opleidingsvergoedingen mogen van mij, op voorwaarde dat het allemaal transparant gebeurt. Eigenlijk zouden clubs trots moeten zijn als een van hun jonge talenten naar het buitenland trekt om het daar te gaan maken. Maar neen, zij denken alleen aan het kapitaal dat ze aan hun neus voorbij zien gaan.” Allemaal goed en wel, maar de Belgische clubs zouden toch liever wat meer geld op tafel zien komen als ze een van hun contractloze talentjes zien vertrekken.

 

Ibrahim Maroufi - Foto: © Fakwes

Jammer genoeg voor hen heerst de wet van de sterkste in de voetballerij. Neem het voorbeeld van Ibrahim Maaroufi. Tot voor zijn transfer naar Racing Mechelen onbekend in eigen land, want al sinds zijn elfde bij een buitenlandse club. Op zijn zesde sloot hij zich aan bij Anderlecht en had hij het geluk in de sterke lichting van voormalige Anderlechttalenten Vincent Kompany en Anthony Vanden Borre te zitten. “Toch verhuisde ik op mijn elfde naar Nederland want ik wilde hogerop en PSV bood me die kans”, aldus Maaroufi over zijn eerste transfer. Zes jaar later verkaste de talentvolle Belg met Marokkaanse roots naar Internazionale. “Inter zag me op mijn zeventiende bezig op een jeugdtoernooi in Frankrijk, was gecharmeerd en een week later stond ik in Italië om te onderhandelen.” Niet veel later was de transfer beklonken. PSV ving amper 200.000 euro voor Maaroufi. Dat is weliswaar 170.000 euro meer dan de 5.000 euro opleidingsvergoeding per seizoen hen had opgeleverd, maar voor een club als Inter blijven dat peanuts. Moraal van het verhaal: PSV is een grotere club dan Anderlecht, maar moest op zijn beurt het onderspit delven tegen het nog grotere Internazionale.

 

Ivo Belet stelt: “Om de jeugdopleidingen van de clubs te beschermen is het belangrijk dat er een ‘spelerfactor’ in rekening gebracht wordt bij het bepalen van de opleidingsvergoeding (die gebaseerd moet zijn op de reële kosten van de opleiding). Dit wil zeggen dat men rekening houdt met het feit dat men een aantal spelers moet opleiden om één profspeler te bekomen. Anders kan men nooit tegengaan dat clubs die investeren in een goede opleiding worden leeggeplukt door clubs met meer financiële armslag. Het Europees Hof van Justitie heeft onlangs bevestigd dat een dergelijke berekening de situatie van het voetbal ten goede komt.”

 

Alles om kritiek te vermijden
Het voorbeeld van Maaroufi toont hoe het zou kunnen en moeten gaan. Een erg cleane transfer van een jongen die tweemaal naar een betere club verhuisde. Een iets minder koosjer voorbeeld is dat van de transfer die Anderlechttalent Januzaj in 2011 realiseerde. Voor de jongen van Albanese afkomst lag op zijn zestiende verjaardag een profcontract bij Anderlecht klaar, maar (de ouders van) Januzaj zwichtte(n) voor de ‘argumenten’ van Manchester United. De Engelse topclub bood de ouders 200.000 euro cash en een huis voor het ganse gezin in Manchester. De jonge linkspoot zelf zou naar verluidt meteen 12.000 euro per maand gaan verdienen in Engeland. Een manier van werken die de wenkbrauwen doet fronsen, zeker als je weet hoe het er bij zulke topclubs aan toegaat.

 

Kevin Franck

Iemand die dat kan weten is Kevin Franck. De vaardige middenvelder werd op zijn zeventiende bij het B-team van AA Gent weggeplukt door Real Madrid. “Nu, dertien jaar later, weet ik hoe ze bij zo’n topclubs redeneren”, begint Franck. “Ze willen elk talentje zelf binnenhalen. Ze halen dus ook jongens waar ze misschien niet honderd procent in geloven, maar nemen hen toch om te vermijden dat ze kritiek krijgen. Want stel dat zo’n jongen uiteindelijk bij een andere club doorbreekt, dan zullen de media schande spreken over het falende scoutingapparaat van Real Madrid. In het geval van Januzaj wendde Man U zijn financiële overwicht aan om ouders en speler te overtuigen. Dat was bij mij niet het geval. Real rekende destijds op zijn status en imago van beste club ter wereld om talentvolle jongeren naar hen te lokken.”

 

Vrijheid van arbeid
Dat geld (al te) vaak het grootste argument is, bewees de zaak Neymar destijds. Het intussen 19-jarige Braziliaanse wonderkind kreeg op zijn veertiende een contract van maar liefst 10.000 euro per maand onder de neus geschoven bij zijn Braziliaanse club Santos. “Een kind dat uitsteekt boven de middelmaat, in eender welke sport of discipline, waarom mag dat niet heel erg veel geld verdienen?”, verrast professor Blanpain enigszins. “Dat spelers – zelfs op jonge leeftijd al – honderdduizenden euro’s verdienen, kan me niet schelen. Zolang hun rechten maar gerespecteerd worden. Voetballers zijn werknemers en het allerbelangrijkste is de vrijheid van arbeid. Een speler moet dus kunnen veranderen van club, ook al heeft hij nog een contract.

 

Wat je nu vaak ziet is dat clubs aan een speler die jonger is dan achttien meteen een contract voor lange duur laten ondertekenen. Maar zelfs een contract van vijf jaar moet je kunnen verbreken. Theoretisch gezien kan dat ook, maar door de hoge schadevergoeding – die loopt vaak op tot miljoenen euro – kunnen spelers in de praktijkniet onder hun contract uit en dan wordt hun vrijheid dus beknot. Een redelijke schadevergoeding moet kunnen, maar ook niet meer dan dat. Het eerlijkste lijkt me dat er een schadevergoeding volgens het loon van de speler wordt betaald in plaats van een schadevergoeding op basis van de (geschatte) waarde van een speler.” “Ik begrijp dat clubs een transfersom willen vangen en daarom hun spelers nooit meer einde contract laten komen. De baseline in de voetballerij is immers dat hoe meer er gekocht en verkocht wordt, hoe meer geld er rondgaat en hoe blijer spelers, clubs en managers zijn. Mensen zijn evenwel geen koopwaar en dus zou het nooit zo mogen zijn dat een speler niet weg kan omdat hij de schadevergoeding voor zijn contractbreuk niet kan betalen.”

 

Wet van de sterkste

Dennis Praet - Foto: © Herman Praet

Toch hebben velen bij die megalonen voor kinderen een naar gevoel en vinden sommigen dat dit ruikt naar ethisch onverantwoord handelen. Of is dat overdreven en is het inderdaad niet zo gek dat er tienduizenden euro’s worden neergeteld voor een tiener die goed kan voetballen? Het kan in ieder geval ook anders. Daar is de overgang die de jonge Dennis Praet in mei 2010 maakte het beste voorbeeld van. Praet ging vlak na zijn zestiende verjaardag van Racing Genk naar Anderlecht en met die transfer was enkel een opleidingsvergoeding van 20.000 euro gemoeid – aangezien Praet bij Genk nog geen profcontract had ondertekend. Hoe pijnlijk ook voor de opleidende club in kwestie, toch roept zo’n transfer al een heleboel minder ethischevragen op. Dat het gezin Praet in Pellenberg, in de buurt van Brussel, woont is een van de redenen van Dennis’ vertrek bij Genk. Daarbij komt nog dat hij in het Purple Talents Project van Anderlecht terechtkomt en het was die goed uitgewerkte combinatie van studie en sport die uiteindelijk de doorslag gaf voor de familie Praet.

 

Dat ook Belgische clubs elkaar jeugdspelers zonder contract afvangen, bewijst alleen maar dat de Belgische competitie evenzeer een jungle is. Ten opzichte van de Italiaanse, Spaanse, Engelse, Duitse en Portugese competitie zijn wij het zwakke broertje, maar binnen de Jupiler Pro League geldt de wet van de sterkste dus net zo goed. Met dat verschil dat de factor geld hier een veel kleinere rol speelt omdat we simpelweg veel minder geld hebben. Dat weerhoudt de ene topclub er evenwel niet van om een topper in de dop weg te kapen bij een andere topclub. En toen KV Mechelen – dat al decennialang bekend staat om zijn meer dan degelijke jeugdopleidingen – in 2003 door financiële problemen naar derde klasse degradeerde, waren de eersteklassers er als de kippen bij om de beste jeugdspelers weg te pikken.

 

Zo lijfde Genk toptalenten Marvin Ogunjimi en Steven Defour vrijwel meteen in. Kleinere clubs zoals Lierse en KV Mechelen gaan op hun beurt de beste spelertjes bij amateurclubs zoals Ranst, Lyra of Leest weghalen. De wet van de sterkste wordt zo doorgetrokken van het allerhoogste tot het allerlaagste niveau en daar is niets mis mee. “Jongeren moeten ten allen tijde naar een betere club kunnen gaan”, geeft Blanpain aan. “Op voorwaarde dat de voetbalkwaliteiten van de speler de enige of op z’n minst belangrijkste reden is voor die overgang. Het is toch niet meer dan logisch dat je naar een betere club mag gaan, als je te goed bent voor de club waar je nu speelt ?”

 

“Topclubs halen ook talentvolle jongeren waar ze niet honderd procent in geloven, om te vermijden dat ze kritiek krijgen” (Kevin Franck)

 

Geen plaats voor ethiek
De voorwaarde die Blanpain vermeldt, wordt evenwel lang niet altijd vervuld. In de ideale wereld zou het talent van de speler inderdaad de belangrijkste reden voor een transfer moeten zijn, maar zo zit de voetballerij niet altijd in elkaar. Dat spelers overtuigd worden om bij een club te blijven (Neymar) of naar een andere club te gaan (Januzaj) door hen ontzaglijk veel geld te geven, is dan nog de meest begrijpelijke situatie. De voetballerij is nu eenmaal een miljardenbusiness waar zo veel mogelijk mensen zo veel mogelijk graantjes proberen mee te pikken. Dat ook (ouders van) erg jonge spelertjes dat doen, mag dan misschien wel onkies zijn, het is op zich een logisch gevolg van hoe het er in de voetballerij aan toegaat. Echt problematisch wordt het pas wanneer jeugdspelertjes gedwongen worden om voor de ene of de andere club te gaan spelen. Redenen daarvoor kunnen velerlei zijn: er zijn de malafide makelaars die uit zijn op geld en daarvoor eender welke voetballer zo vaak mogelijk transfereren, maar er zijn ook clubs die te ver gaan in hun ijver om jong talent binnen te halen. Om nog maar te zwijgen over de ronduit criminele activiteiten.

 

Het probleem van de makelaars is een oud zeer in de voetballerij en men slaagt er blijkbaar maar niet in om daar een oplossing voor te verzinnen. “Clubs mogen in principe enkel met door de FIFA erkende agenten werken”, licht professor Blanpain toe. “Jammer genoeg zijn de voorwaarden om agent te kunnen worden veel te soepel. Die regeling zou dus alvast wat strikter gemaakt moeten worden.” Een kijkje op de FIFAwebsite leert ons dat er in België momenteel 81 makelaars zijn. Een peulschil in vergelijking met topcompetities Italië (721), Spanje (579), Engeland (448) en Duitsland (369). FIFA-agenten moeten bij hun nationale federatie een examen afleggen waarin er gepeild wordt naar hun kennis van de reglementen, het contractrecht en zelfs het spel. De licentie blijft vijf jaar geldig, maar het is vooralsnog niet duidelijk of elke makelaar na vijf jaar ook een nieuw examen zal moeten afleggen. Er is dus ook wat die regelgeving betreft, nog wel wat werk aan de winkel.

 

Gaël Kakuta - Foto: © Amarhgil

Een goed voorbeeld van clubs die nog wel eens te dwingend durven optreden bij een transfer van een jeugdig talent is de zaak Kakuta. In 2007 werd de toen zestienjarige Gaël Kakuta van het Franse Lens naar het Engelse Chelsea getransfereerd. Chelsea zou Kakuta evenwel tot contractbreuk hebben aangezet. Als gevolg daarvan werd Kakuta voor vier maanden geschorst, terwijl Chelsea twee transferperiodes niet actief mocht zijn op de spelersmarkt. Er moest ook een boete van 780.000 euro aan Lens betaald worden. Als zelfs grote clubs zich hieraan bezondigen, kun je je afvragen wat er op lager niveau – waar er helemaal geen controle is – allemaal gebeurt … De grootste wantoestanden vinden echter plaats bij transfers vanuit kansarmere landen, waar evenwel veel voetbaltalent verzameld zit, naar de grote competities. Zo verdwenen er in 2008 maar liefst 476 kinderen die vanuit Afrika, Latijns-Amerika en het Oostblok naar de Premier League werden gelokt met de belofte van een succesrijke voetbalcarrière. Ze belandden bijna allemaal in de illegaliteit, prostitutie en het drugsmilieu. Om zulke wanpraktijken voortaan in de kiem te smoren, werd in 2008 de European Club Association (ECA) opgericht. De organisatie vertegenwoordigt in totaal 197 clubs en is bereid tot zelfregulering om de kinderhandel helemaal uit de voetballerij te helpen.

 

Wat moet België doen?
Er gebeuren ieder seizoen gelukkig ook een heel aantal transparante, keurige transfers. Dennis Praet verhuisde van Racing Genk naar Anderlecht omdat hij het gevoel heeft dat hij zich daar sportief kan verbeteren, omdat het gewoon dichter bij huis is en omdat ze bij Anderlecht zwaar inzetten op een vlotte combinatie van studie en sport. En dat zijn perfect legitieme redenen voor een transfer. Elke competitie moet er op zijn eigen manier voor zorgen dat de toptalenten behouden blijven – zolang ze het niveau van de competitie niet ontgroeid zijn. Grote competities hebben de financiën, hun imago en de perceptie aan hun zijde, maar ook kleinere competities beschikken over troeven die ze in de verf kunnen zetten.

 

“Elke jonge voetballer die naar het buitenland trekt, gokt op die minieme kans dat hij bij zo’n topclub effectief kan doorbreken” (Kevin Franck)

 

Dat er in België geen enkele club is die over een budget van acht miljoen euro voor jeugdwerking beschikt – zoals dat bij het Internazionale van Maaroufi wel het geval is – is hoegenaamd geen schande. Dat de Jupiler Pro League een kleinere competitie is, heeft het voordeel dat jonge talentvolle spelers sneller een kans op het hoogste niveau zouden kunnen krijgen dan in de Spaanse, Italiaanse of Engelse competitie. Zouden kunnen krijgen want voorlopig blinken onze Belgische clubs daar nog niet in uit. Supertalenten zoals Lukaku, Kompany en Witsel werden dan wel op jonge leeftijd gebracht, de perceptie hebben onze clubs in ieder geval nog tegen. De Nederlandse competitie – toch niet echt een veel grotere competitie – doet het wat dat betreft veel beter. Tal van Nederlandse clubs halen Belgische toptalentjes binnen omdat zowel ouders als spelers denken dat ‘de jeugd daar wél een kans krijgt’. Als de Belgische clubs er in slagen om die perceptie om te buigen en dezelfde doorstromingsmogelijkheden als de Nederlandse clubs te bieden, zullen er plots al heel wat minder jongens naar Nederland verhuizen. Topclubs zoals PSV en Ajax zullen hun aantrekkingskracht nog wel behouden, maar als jonge spelers merken dat ze ook in België een kans krijgen, zullen ze wel twee keer nadenken voor ze hun geluk bij onze noorderburen gaan zoeken.

 

Een punt waarop Belgische clubs steeds beter beginnen te scoren is de combinatie van studie en sport. Het meest bekende voorbeeld is dat van Romelu Lukaku. In ‘De school van Lukaku’ was te zien hoe Lukaku school en voetbal combineerde dankzij het Purple Talents programma van Anderlecht. Er zijn nog tientallen andere Anderlechttalenten die dankzij dat op maat gemaakt programma zowel aan hun carrière kunnen werken als een diploma kunnen behalen. Ook bij andere eersteklasseclubs wordt er zwaar ingezet op een zo vlot mogelijke combinatie van studies en voetbal. Ongetwijfeld een goede zaak die tal van ouders zullen appreciëren en misschien wel de grootste troef van onze competitie.

 

Had ik ook maar een voetbalvader

Romelu Lukaku - Foto: © David Dossin

Natuurlijk zullen er altijd jonge talenten zijn die hun geluk in het buitenland gaan beproeven. Daar zijn ook zonder gigantische lonen goede redenen voor te bedenken. Doelman Kenneth Bosmans kreeg in 2007 een aanbod van Manchester City en twijfelde naar eigen zeggen “geen seconde.” “Over drie jaar zien we wel. Deze ervaring pakken ze me in ieder geval niet meer af. En daarbij, wie zegt dat ik niet zal slagen?” Die laatste bedenking maakte Januzaj zich waarschijnlijk ook. Samen met zo veel anderen die het al dan niet maakten in het buitenland. “Elke jonge voetballer die naar het buitenland trekt, gokt op die minieme kans dat hij bij zo’n topclub effectief kan doorbreken”, weet ervaringsdeskundige Kevin Franck. “Achteraf bekeken denk ik dat je op die leeftijd onmogelijk zelf kunt inschatten hoe groot (of hoe klein) de kans op slagen is. Je klampt je vast aan het idee ‘ze zijn me komen halen, dus ze moeten toch iets in me gezien hebben’, maar al van bij je aankomst merk je dat je niet de enige bent die ze zijn gaan halen. Daar is uiteraard niets mis mee, maar als jonge speler zonder begeleiding kun je dat onmogelijk juist inschatten.” Het woord is eruit: begeleiding. Belangrijk voor elke voetballer maar zeker voor jonge jongens. Het is dan ook opvallend dat het vaak zonen van voormalige profvoetballers zijn die de aanbiedingen van soms grote clubs toch naast zich durven neer te leggen.

 

De broertjes Musonda zijn gewild door zowat elke Europese topclub, maar verlengden hun verblijf bij Anderlecht. Vader Charly Musonda zegt: “Ik weet hoe moeilijk het is om de top te halen. Nu moeten mijn zoons zich in de eerste plaats amuseren. Daarom hebben we ook besloten om hier te blijven. Als het om een of andere reden niet zou lukken, hebben ze hier tenminste hun vrienden om op terug te vallen.” Ook Lukaku bleef dankzij de goede raad van zijn vader – voormalig profvoetballer Roger Lukaku – waarschijnlijk langer in België dan velen verwachtten. Dat hij uiteindelijk na twee jaar in het eerste elftal van Anderlecht toch naar Chelsea verkaste, had simpelweg te maken met het feit dat het een voorstel was dat hij onmogelijk naast zich neer kon leggen. Zowel Anderlecht als Lukaku en Chelsea werden beter van die overgang en dus was het in die zin de perfecte transfer. Het zal altijd wat hopen zijn op verstandige ouders en goede begeleiders, maar de meest recente signalen uit onze competitie zijn hoopgevend. Ouders laten zich niet altijd meer verleiden door het grote geld, het merendeel van de transfers kent een transparant en normaal verloop en als de Belgische competitie werk maakt van betere doorstromingsmogelijkheden zullen jonge toptalenten voortaan enkel nog vertrekken als ze zich in eerste instantie sportief (maar ook financieel) kunnen verbeteren.

 

© 2011 – SupPORT – Kristof Vanderhoeven

 

 

Tags:, , , , , , , , , , , ,